Ga direct naar inhoud
Profielen | Profielen translated
1 december 2022

Zwart logo Profielen

Onafhankelijk nieuws van de Hogeschool Rotterdam

Onvoldoende van de HR toont ‘gekte van het systeem’

Gepubliceerd: 15 November 2016 • Leestijd: 6 minuten en 36 seconden • Nieuws

Als het moet, vecht de HR de onvoldoende voor het niet halen van de prestatieafspraken aan bij de rechter. Deze onvoldoende kan namelijk miljoenen kosten. De bestuursvoorzitter van de HR legt uit waar zijn pijn zit.

Ron Bormans zegt het in zijn blog zelf maar vast, om de kritiek voor te zijn: hij is een slechte verliezer (‘wellicht’). De collegevoorzitter van de Hogeschool Rotterdam is niet van plan zich neer te leggen bij het negatieve oordeel over de prestatieafspraken van de HR – zeker niet als dat negatieve oordeel hem geld gaat kosten.

Studiesucces HR is na prestatieafspraken alleen maar verslechterd

Het oordeel van de Reviewcommissie Hoger Onderwijs gaat ook niet over klein bier. De onvoldoende die de Hogeschool Rotterdam eind oktober als één van de zes hogescholen kreeg, kan de HR in het ergste geval enkele miljoenen per jaar kosten. En dat, wederom in het ergste geval, vier jaar achtereen. De verwachting is dat minister Bussemaker hier deze week over oordeelt.

Daar gaan de afspraken niet over

Op de HR halen te weinig studenten op tijd hun diploma, vallen te veel studenten uit en veranderen ze te vaak van opleiding. Maar de Reviewcommissie rekent het de HR vooral aan dat haar eindscore op alle drie deze punten sinds 2012 alleen maar is verslechterd. Dat is bij geen enkele andere hogeschool het geval. Van de vijf grotestadshogescholen heeft de Hogeschool Rotterdam na Inholland bovendien de grootste duikeling gemaakt, noteert de commissie.

Het probleem is alleen, zegt de collegevoorzitter nu in zijn verweer, dat de score van andere hogescholen er voor de HR helemaal niet toe doet. Net als trouwens de uitgangspositie in 2012. Of het verloop van de score in de jaren erna. Daar gaan de prestatieafspraken namelijk niet over.

Aantal langstudeerders groeit

Slechts drie van de 36 hogescholen zijn alle afspraken nagekomen. Bijna dertig hogescholen staan op rood op het gebied van studiesucces. Vooral de rendementen staan onder druk. Dat heeft onder andere te maken met een stijgende mbo-instroom, terwijl juist steeds minder van hen de eindstreep halen. Ook de strengere accreditaties op het gebied van afstudeerkwaliteit worden vaak als reden genoemd. Het aantal langstudeerders neemt toe.

Nu is ‘studiesucces’ slechts één van de drie groepen targets. De andere zijn ‘onderwijskwaliteit’ (honoursstudenten, studenttevredenheid en accreditaties) en ‘maatregelen’ (contacttijd, kosten overhead en docenten met een master). Deze twee groepen doelstellingen heeft de HR gehaald. Er wordt echter per groep afgerekend. Een hogeschool verdient per groep steeds ongeveer 1,6 procent van de prestatiebekostiging.

Kun je een onderwijsinstelling afrekenen op een dalend rendement als in feite in heel Nederland het rendement daalt? Het antwoord op deze vraag kwam twee weken geleden van de Reviewcommissie Hoger Onderwijs: ja, dat kan.

Vergelijking G5

De Reviewcommissie heeft de scores van de Hogeschool Rotterdam afgezet tegen die van enigszins vergelijkbare, grote hogescholen in de Randstad, ook wel de ‘G5’ genoemd (Amsterdam, Den Haag, Utrecht, Rotterdam en Inholland). De commissie noteert dat de HR vergeleken met deze hogescholen ‘ongeveer gemiddeld’ scoort op het gebied van rendement en ‘lager dan gemiddeld’ op de indicator eerstejaarsuitval.

‘Op ‘eerstejaarsuitval’ halen we wel de targets van andere hogescholen, maar niet die van onszelf.’

Dat laatste is positief bedoeld: de HR heeft het laagste uitvalpercentage van de grote vijf. Qua rendement staan we vierde van de vijf, met 54 procent. Alleen Inholland reikt, met 49 procent, na vijf jaar minder diploma’s uit dan de HR.

Die uitval in het eerste jaar is ‘helemaal niet slecht’ constateert Bormans. ‘Deze indicator toont de gekte van het systeem. Op dit gebied halen we namelijk de targets van alle Randstadhogescholen, behalve die van onszelf. We zijn kennelijk te ambitieus geweest.’ Qua rendement ‘doen we het een stuk minder goed’, erkent Bormans. ‘Maar daar maken we een klap naar beneden die heel erg lijkt op wat andere hogescholen doen.’

De studenten die niet binnen vijf jaar hun diploma hebben gehaald, zijn vaak nog als langstudeerder aan de hogeschool verbonden, benadrukt Bormans. Voor deze studenten krijgt de hogeschool geen bekostiging meer. En in tegenstelling tot wat het ministerie vorig jaar berekende, kosten deze langstudeerders de hogeschool wel degelijk geld, zegt de collegevoorzitter. ‘Reden temeer om ons niet te korten.’

‘Nieuwe regels verzonnen’

In vergelijking met andere hogescholen, vindt Bormans, is het beeld niet zo zwart dat een negatief oordeel gerechtvaardigd is. Maar de kern van zijn verweer zit hem meer in de manier waarop de commissie tot een oordeel is gekomen dan in de vergelijking met andere onderwijsinstellingen.

Bormans: ‘Ik had verondersteld dat de commissie ook allerlei contextgegevens in haar overwegingen zou meenemen. De minister heeft aangegeven dat er twee elementen zijn die een negatieve score in een positieve kunnen veranderen. Dat zijn de keuze voor kwaliteit en eventuele andere bijzondere omstandigheden. Maar dat heeft de commissie in mijn ogen niet gedaan. Ze hebben nieuwe regels verzonnen op basis waarvan ze zijn gaan afrekenen. Ze zijn gaan benchmarken. De vergelijking met andere hogescholen zit niet in de opdracht van de commissie. En ook de vraag wat de afstand is tussen de doelstelling en het uiteindelijke resultaat heeft nooit in de opdracht gezeten.’

‘De commissie heeft nieuwe spelregels ontwikkeld’

Had de commissie dan iedereen een onvoldoende moeten geven?

‘Nee, ik had liever gehad dat ze goed zouden kijken naar de specifieke omstandigheden van hogescholen. Wij krijgen steeds meer mbo’ers binnen, een groep waarvan we weten dat je als hogeschool harder moet werken om ze naar een diploma te begeleiden. Over deze groep zijn we in het essay Kwaliteit in de klas zelf de alarmbel gaan luiden. Bovendien hebben we een superdiverse studentenpopulatie, als je kijkt naar de etnische herkomst van de studenten. Dat is een groep waarvan we weten dat het studiesucces lager is.
‘Het andere extreme zou zijn om gewoon als commissie vast te stellen welke hogescholen het op welk punt niet halen. Dan baseer je je volledig op de cijfers. Maar wat de commissie nu gedaan heeft, is een andere set spelregels ontwikkelen, een nieuw algoritme met vergelijkingen, die niet eerder zijn afgesproken. En dat is nog steeds een vorm van mechanisch afrekenen.’

In 2013 stuurde je al een brief naar de minister met de strekking: het gaat moeilijk worden om de afspraken te halen. Wat hebben jullie na deze ‘winstwaarschuwing’ gedaan om de afspraken na te komen?

‘We hebben allereerst heel stevig ingezet op de studiekeuzecheck. En we hebben vrij veel opleidingen selectief gemaakt. We hebben het economisch domein op de schop genomen. Bedrijfseconomie is opnieuw gestructureerd, daarna commercieel management. Het onderwijs is daar geïntensiveerd. Daarnaast hebben we locaties verbouwd, zodat mensen zich er meer thuis voelen. Verder zijn we de samenwerking gaan zoeken met roc’s en het voortgezet onderwijs, om ervoor te zorgen dat jonge mensen beter voorbereid naar het hbo komen. En we vragen de minister ruimte om te experimenteren met een schakelprogramma voor mbo-ers.’

Heeft de studiekeuzecheck ook geleid tot minder uitval?

‘Dat heeft niet echt geholpen, nee. Niet voor de groep die we op het oog hebben. Vooral de kwetsbare studenten laten zich heel moeilijk door dit instrument vangen. Die zijn net wat minder ontvankelijk voor advisering dan je zou willen.’

Je suggereerde in je blog dat studiesucces niet in je directe invloedssfeer ligt.

‘Niet in onze volledige invloedssfeer, nee. Als je meer docenten met een master wilt, besluiten we gewoon om alleen nog maar docenten met een master aan te nemen. Dat ligt in de directe invloedssfeer van de hogeschool. Maar ons studiesucces weerspiegelt veel meer de kenmerken van de studentenpopulatie, waar wij niets aan kunnen veranderen. Hun vooropleiding, hun achtergrond, die factoren zijn net zo belangrijk als wat wij zelf doen.’

Maar uit die onderwijsvernieuwing van COM (Instituut voor Commercieel Management) blijkt toch juist dat intensiever en strenger onderwijs het studiesucces flink kan verhogen?

‘Dat klopt. Maar COM is altijd een experiment geweest. We hadden veel aanwijzingen dat die manier van werken succesvol zou zijn, maar we moeten dit wel zorgvuldig doen. Je kunt niet tegen alle opleidingen zeggen dat ze het dan nu ook maar op deze manier moeten gaan doen. Dergelijke onderwijsvernieuwingen moeten ook gedragen worden door het docententeam.
‘Maar als je deze vraag over een aantal jaren stelt en deze vorm van intensiever onderwijs is nog steeds bij COM en industrieel product ontwerpen gebleven, dan kun je je inderdaad afvragen of het hier wel goed gaat. Zeker nu de definitieve resultaten van de experimenten bij COM en IPO binnen hebben. Daar publiceren we binnenkort over.’

Je haalt wel de prestatieafspraken van andere hogescholen, maar niet die van jezelf. Heb je spijt van die hoge ambities uit 2012?

‘Ik heb me destijds niet met de prestatieafspraken van de HR bemoeid want ik was toen nog bestuurder van de HAN. Maar deze hogeschool heeft een traditie om zich druk te maken over studiesucces, dus als ik hier had gezeten, had ik misschien precies hetzelfde gedaan. Het probleem is dat we in 2013 ineens een knik zagen in de studiesuccestrend. Een halfjaar nadat de afspraken gemaakt waren, zagen we al dat de trend de verkeerde kant op ging. Vandaar ook de ‘winstwaarschuwing’ aan het ministerie.
‘Toen ik hier binnenkwam, heb ik met het Focusprogramma juist de kwaliteit van het onderwijs vooropgezet. Dat is kwaliteit in de zin van accreditaties en niveau. Die was, toen ik hier kwam, bij een aantal opleidingen onvoldoende. Ik ben er heel trots op dat we heel snel geen enkele opleiding meer in een accreditatie hersteltraject hadden. Maar het effect is wel geweest dat hier op de hogeschool het woord ‘kwaliteit’ net wat vaker viel dan ‘studiesucces’.
‘Deze nadruk op kwaliteit had een valide reden kunnen zijn voor de commissie om van een negatief naar een positief oordeel te gaan. Ik heb ook tegen de commissie gezegd dat we de eerste jaren de kwaliteitskaart net wat harder gespeeld hebben, in vergelijking met studiesucces. De commissie is daar jammer genoeg niet op ingegaan. Maar ik heb daar geen spijt van. Ik zou het de volgende keer weer zo doen.’

Tekst: Olmo Linthorst
Illustratie: Jarek van Dalsen

Dit artikel wordt je aangeboden door Profielen, het nieuwsmedium van de Hogeschool Rotterdam. Like what you see? Like ons dan op Facebook en blijf via je eigen tijdlijn op de hoogte van het laatste nieuws. Liever een nieuwsbrief? Meld je hier aan voor een wekelijkse update.

Reacties

Laat een reactie achter

Comments are closed.

Spelregels

De redactie waardeert het als je onder je eigen naam reageert.

  1. Houd het netjes, beschaafd, vriendelijk en respectvol. Niet vloeken of schelden.
  2. Dwaal niet af van het onderwerp (blijf ‘on topic’).
  3. Wees kort, duidelijk en maak een punt.
  4. Gebruik argumenten, geen uitroepen.
  5. Geen commerciële boodschappen.
  6. Niet op de persoon spelen.
  7. Niet discrimineren, aanzetten tot haat of oproepen tot geweld (ook niet voor de grap).
  8. Van bezoekers die een reactie achterlaten op de site wordt automatisch het IP-adres opgeslagen.
  9. De redactie geeft reacties die dreigende taal bevatten door aan de veiligheidscoördinator van de Hogeschool Rotterdam.

Lees hier alle details over onze spelregels.

Back to Top