Cyriel over taal: Engels en de natte speculaasplank
31 March 2025
‘Als je nog één keer iets in het Engels zegt wat je gewoon in het Nederlands kunt zeggen, geef ik je ervan langs met de natte speculaasplank!’ Dat zei ik onlangs in een college tegen student Mandy (zo heet ze natuurlijk niet), die heel goed uit haar woorden kan komen, maar soms even overschakelt naar die andere taal. Ze begreep mijn ironie en probeert nu echt wel Nederlandse woorden te vinden.
Wat gebeurt er precies in Mandy’s hoofd? En in het hoofd van veel studenten, want zij is niet de enige. ‘O-maaj-kot, siriusli? Ik vind dat echt kaint of okwert, joeno. Laik, ah mien, het is toch echt emberresing als je zoiets ekspieriënst? Wee toe mutsj, echt.’ Het komt gewoon uit de mond van onze studenten. Het is taal, begrijpelijke taal, maar geen Nederlands. Is dat erg? Ik denk even na over het antwoord, terwijl ik deze column schrijf, olrait?
De verklaring voor het verschijnsel is volgens mij niet zo ver te zoeken. Jongeren worden meer dan ooit blootgesteld aan Engels. Als ik studenten vraag of ze nog wel eens een boek lezen, krijg ik vaak als antwoord: ‘Ja, alleen Engelstalige boeken’. En dan vaak als toevoeging: ‘féntussi’.
Jongeren hebben vaak internationale vrienden en die spreken Engels. Ook als die aardig Nederlands spreken, want wij Nederlanders hebben een merkwaardige neiging. Als we een buitenlander zijn best horen doen om Nederlands te praten, schakelen we ongevraagd over op het Engels. Uit goeiigheid, of ongeduld, gemakzucht of om okwurt sitjoe-eesjuns te voorkomen. Lief bedoeld misschien, maar niet per se respectvol voor de buitenlander in kwestie. En ook een beetje ontmoedigend.
Nog een verklaring voor de Engelse zinnen, woorden en sound bites waarvan het in het brein van studenten wemelt: Netflix en zo. Soosjol midea en zo. De hele dag klinkt Engels uit hun telefoons en laptops.
Ten slotte is daar nog de lonkende beroepswereld: daar bezigt iedere sector zijn eigen jargon. Een jargon dat in rap tempo verengelst. Opleidingen voor bedrijfskunde, IT en marketing staan bol van het Engels. En zelfs juffen en meesters in opleiding krijgen er een flinke dosis van: voor hun zijn begrippen als scaffolding, modelling, 21st century skills, teach as you preach gesneden koek. Cut cake.
Dat allemaal bij elkaar leidt ertoe dat hun denken tweetalig wordt. Soms vinden ze sneller het Engelse equivalent van een Nederlands woord. Embarassing in plaats van pijnlijk, awkward in plaats van ongemakkelijk, level in plaats van niveau (oeps, dat is Frans!), een error krijgen in plaats van in de war raken.
Over Frans gesproken: de Franse overheid probeert al sinds de jaren zeventig de import van Engelse woorden te bestrijden. Soms lukt dat: tegen een computer zeggen Fransen bijvoorbeeld braaf ‘ordinateur’.
De Délégation générale à la langue française et aux langues de France is verantwoordelijk voor het ‘puur’ houden van het Frans. De DGLFLF verbiedt het gebruik van anglicismen niet, maar stelt wel overzichten op met Franse alternatieven. Maar vooral jongeren hebben daar maling aan. De Franse jeugd zegt liever ‘Black Friday’ dan ‘Vendredi Fou’ (letterlijk: Dwaze Vrijdag) en ‘streaming’ is veel sneller uitgesproken dan ‘diffusion en flux continu’ (letterlijk: uitzending in constante stroom).
De Franse overheid heeft in de twintigste eeuw het dubieuze succes op haar naam gebracht van het om zeep helpen van dialecten en minderheidstalen (zoals het Frans-Vlaams). Ze verbood het gebruik van die talen botweg. Een dergelijke liquidatie lijkt niet te lukken met Engelse woorden. In Nederland is er genoeg ergernis over verengelsing, maar geen enkele poging van betekenis om die te stuiten.

Even terug naar de vraag hierboven: is het erg dat de taal van jongeren zo verengelst? Ik zeg: ja, dat is erg. De Nederlandse taal heeft een ruime woordkeus om te zeggen wat je wilt. Behouden wat je hebt, heeft iets moois. Maar ik besef tegelijkertijd dat de veranderende wereld altijd impekt zal blijven hebben op welke herretitsj dan ook. Ik vecht vriendelijk door tegen de bierkaai. Zonder natte speculaasplank.
Beeld: Demian Janssen
Meer blogs van Cyriel
- Cyriel over taal: Rondlopen met je gulp open, hoe erg is dat nou?
- Cyriel over taal: Een jointje en dan een biertje
- Cyriel over taal: Fok deze huis
- Cyriel over taal: Hoe leuk is dát?! Helemaal niet leuk
- Cyriel over taal: Maar wel míjn klotestad
- Cyriel over taal: Een beetje plat ken best






Een erg humoristische maar interessante blog. Door de grote meertaligheid van jongeren tegenwoordig treed code-switching inderdaad steeds sneller op. En dan nog niet te spreken over de “valse vrienden”. Hoewel sommige woorden heel goed in het Nederlands te vervangen zijn, kom je soms woorden tegen waarvan de Nederlandse taal toch niet zo goed de lading dekt. Wellicht een mooie uitdaging voor de docenten Engels en Nederlands om een focus te leggen bij semantiek en lexicale kennis? En natuurlijk hoe deze correct, zorgvuldig en betekenisvol in context kan worden gebruikt. Enjoy!
@JL Woordenschatonderwijs is inderdaad in last. Het komt natuurlijk ook door de ontlezing dat jongeren geen uitgebreid lexicon hebben. Als docent kun je daar maar een beetje aan werken door veel woorden (bij herhaling) te gebruiken in je onderwijs die zij waarschijnlijk niet kennen.
Hey Cyriel,
Verwijs je naar een specifieke uitdrukking met de “natte speculaasplank” of is dit een eigen verzinsel? Ik kom er namelijk niet helemaal uit, zelfs na een tijdje zoeken.
Ik heb op de middelbare school tweetalig VWO gedaan toen dat nog in de kinderschoenen stond. Indertijd was tweetaligheid in het onderwijs zo’n zeldzaam gegeven dat dit een behoorlijk elitaire optie was. Het is interessant om te zien hoe tweetaligheid zodanig is genormaliseerd dat het nu als een probleem wordt aangekaart.
Ik zal bekennen ook voornamelijk Engelstalige boeken te lezen in het féntussi-genre maar dat is voornamelijk omdat het Nederlandse aanbod in het fantasie-genre (ai, nog meer Frans) schaars was en als kinderachtig werd beschouwd waardoor het meeste ook geschreven was voor kinderen. Van sommige boeken waren vertalingen en ik heb die geprobeerd maar dat was gewoon pijnlijk om te lezen.
Ergens ben ik blij als mensen überhaupt (uh oh, Duits…) lezen… dat lijkt an sich (ai, nog meer Duits!) een zeldzame hobby geworden.
@Coen, nee het is geen eigen verzinsel en ook ik kan de bron niet meer vinden. Het is nogal Reviaans taalgebruik en zoals ik het me voorstel is een speculaasplank (ik heb er zelf verschillende) een mooi handzaam, “hecht” (want beukenhout) en vlak stuk hout met genoeg massa om een flinke klap uit te delen. Als die plank dan ook nog eens nat is, komt de klap des te harder en luider aan, mits op een achterwerk geplaatst.