Babysterfte in Nederland
Gepubliceerd: 22 February 2011 • Leestijd: 1 minuten en 44 seconden • Nieuws Dit artikel is meer dan een jaar oud.Eind 2010 in de media: ‘Bevallen bij een verloskundige leidt tot een verhoogde kans op babysterfte.’ Tijdens het jaarlijks terugkerende januari-symposium van de master klinische verloskunde gaan verloskundigen en artsen in discussie. De – zwangere – Profielen-redacteur hoort het in verwarring aan.
De maatschappelijke onrust werd behoorlijk aangewakkerd door de conclusie van een Utrechts onderzoek: bab ysterfte tijdens bevallingen in Nederland is onnodig hoog (2,6 per 1000 bevallingen ). Vrouwen die bevallen onder begeleiding van een verloskundige (eerstelijnszorg) lopen twee keer zoveel kans op ernstige complicaties of overlijden van de baby dan vrouwen die de bevalling starten bij een gynaecoloog (tweedelijnszorg). Terwijl je het omgekeerde zou verwachten. Bevallingen die bij een verloskundige starten, zijn in theorie laag in risico terwijl bij vrouwen die bij een arts lopen al vooraf is bepaald dat ze een hoog risico lopen.
Harde buiken
De onderzoekspresentatie van professor en gynaecoloog Hein Bruinse is lastig te volgen. Deels doordat Bruinse voortdurend naast in plaats van in de microfoon praat. En deels omdat in de volle zaal op de elfde verdieping van het Museumpark veel van de 150 aanwezige verloskundigen, gynaecologen en verloskundestudenten op dwingende fluistertoon de presentatie van commentaar voorzien. Duidelijk is dat het onderwerp veel losmaakt, vooral tijdens de door Bruinse aangehaalde casussen. Een vrouw die 41 weken zwanger is, matig vruchtwater heeft en om half twaalf belt met klachten over harde buiken en steken, wordt pas vijf uur later door de verloskundige bezocht. Uiteindelijk belandt de vrouw in het ziekenhuis met een doodgeboren kind. Bruinse richt zich tot het publiek: ‘Is dat een correcte manier van handelen?’ Een verloskundige springt op en roept: ‘Dat is een suggestieve vraag!’ De zaal ontploft in geroezemoes. Bruinse laat zich niet uit het veld slaan. ‘41 weken en harde buiken, dat zouden weeën kunnen zijn. Dan laat je die vrouw toch komen?’ De reacties variëren van: ‘Te lang gewacht’ tot ‘Tja, het kan zo lopen’.
De professor maakt zijn verhaal af terwijl de zaal inmiddels van fluisteren naar hardop praten is overgestapt. Bruinse is in andere casussen ook kritisch op de tweedelijnszorg: Een kinderarts komt pas na bijna een uur een keer ‘aansloffen’ om een baby te reanimeren, er wordt niet voldoende gecommuniceerd, spoedkeizersneden moeten veel sneller plaatsvinden.
Veruit de meeste problemen ontstaan bij vrouwen die tijdens de bevalling worden doorverwezen van een verloskundige naar een arts. En zie dan nog maar eens te bepalen waar het precies misging. De inschatting van laag- en hoogrisico vrouwen moet beter. De snelheid van handelen moet omhoog. Het probleem ligt niet alleen bij de verloskundigen, ook niet uitsluitend bij de artsen, maar bij de samenwerking en de organisatie van het hele zorgsysteem. Dat systeem moet op de schop, daar zijn de aanwezigen het over eens. Wat moeten wij, zwangere vrouwen in het Nederland van 2011, daaruit concluderen? Uitwijken naar België dan maar?
Sabine Schipper






Laat een reactie achter
Spelregels
De redactie waardeert het als je onder je eigen naam reageert.
Lees hier alle details over onze spelregels.
Aanbevolen door de redactie
Bedrijfsbureau en zorgstructuur van de RAC blijven na domeinvorming voorlopig nog bestaan
Blog Kristel: Vier jaar lang, en dan ineens weg
Het onderzoek van Sanjay Drigpal: Waarom we risico’s onderschatten als de economie meezit
Back to Top