Mbo’er, overtref jezelf!
Gepubliceerd: 26 April 2010 • Leestijd: 5 minuten en 39 seconden • Longread Dit artikel is meer dan een jaar oud.Er is veel te doen over de kwaliteit van mbo-opleidingen. Vooral de grote roc’s staan in een slecht daglicht. De Onderwijsinspectie publiceert maandelijks een lijst met zeer zwakke mbo’s en in april was dat aantal weer gestegen, naar 142. Alarmbellen rinkelen. Toch doen de mbo’ers op de HR het niet veel slechter dan de havisten.
Nog even en we weten alles over de (ex-)mbo’ers op de hogeschool. We gaan gesprekken met ze voeren als ze binnenkomen en ze krijgen een exitgesprek als ze halverwege uitvallen. We geven ze les terwijl ze nog op het mbo zitten en als ze naar de hogeschool komen, bieden we ze een speciaal brugtraject aan. Daarnaast werken we natuurlijk nauw samen met de roc’s (regionale opleidingscentra) uit de regio om de overstap van mbo naar hbo nog aantrekkelijker te maken.
mbo’er in de schijnwerpers
Dit verhaal is nauwelijks begonnen, maar kent alvast één conclusie: de mbo’er staat volop in de schijnwerpers. Kijk maar eens naar het interview met burgemeester Aboutaleb (p.14), die het beroepsonderwijs hoog op de agenda zet. Aboutaleb, zelf begonnen op het mbo, wil dat hogescholen ‘heel ver’ gaan in het begeleiden van mbo’ers naar het hbo. Zoals het een maatschappelijk verantwoorde onderneming betaamt, heeft de Hogeschool Rotterdam de handschoen opgepakt en gezegd: wij gaan Rotterdam slimmer maken. ‘Overtref jezelf!’ Maar hoe doe je dat?
aparte gevallen
Dit schooljaar schreven ruim 2.800 mbo-studenten zich in aan de Hogeschool Rotterdam. Daarmee zijn mbo’ers (33 procent) samen met havisten (44 procent) veruit de grootste doelgroep van de HR. De populairste opleidingen onder mbo’ers zijn commerciële economie, vormgeving en maatschappelijk werk en dienstverlening. De opleiding vormgeving valt onder de Willem de Kooning Academie (WdKA) en dat is een geval apart. De WdKA is het enige instituut dat aan de poort selecteert en de krenten uit de pap kan pikken. Van de ongeveer tweeduizend aanmeldingen per jaar stuurt de WdKA er ruim 1500 weer naar huis. Die luxe hebben de andere instituten niet. Ook de pabo is een apart geval, onder andere door het beperkte aantal vooropleidingen. Het overgrote deel van de mbo-studenten heeft óf een diploma sociaal pedagogisch werker óf is gediplomeerd onderwijsassistent; de meeste mbo-studenten komen óf van Albeda óf van Zadkine. De pabo zit boven het HR-gemiddelde qua mbo-instroom, maar ook wat betreft de uitval van studenten. Mbo’ers doen het over het algemeen erg gemiddeld op de hogeschool, zo blijkt uit de rendement- en uitvalcijfers – en zeker niet veel slechter dan bijvoorbeeld havisten. Wel ervaren veel opleidingsmanagers en docenten van verschillende opleidingen haast klassieke verschillen tussen mbo’ers en havisten: de mbo’er is vaak praktischer, wat volwassener en heeft veel praktijkervaring opgedaan, bijvoorbeeld tijdens stages. Dat geldt ook voor de WdKA, vertelt beleidsmedewerker Paul Pos. ‘Mbo’ers moeten vaak schakelen van oplossingsgericht naar probleemgericht denken. Dus niet “u vraagt, wij draaien”, maar: “u vraagt, maar wat vráágt u nu eigenlijk?” We hebben op de Willem de Kooning aparte klassen voor mbo’ers. Op het moment dat havisten aan hun softwarekennis werken, wat mbo’ers allang onder de knie hebben, krijgen mbo’ers les in conceptdenken. Ze krijgen bijvoorbeeld een abstract probleem voorgelegd en moeten dan níét direct met een oplossing komen, maar eerst onderzoek doen.’ Bij andere opleidingen ervaren opleidingsmanagers eenzelfde verschil, vertelt Gerard Neger van pedagogiek. Hij is anderhalf jaar geleden begonnen de doorstroom mbo-hbo anders in te richten. ‘We konden niet langer verantwoorden dat mbo-studenten automatisch in het tweede jaar hbo instroomden’, vertelt Neger. ‘We zien toch een kloof in de studievaardigheden en de conceptuele vaardigheden.’ Sinds kort krijgen startende hbo’ers met een aanverwant mbo-diploma in een brugkwartaal intensief theoretisch onderwijs. Alleen als ze het goed doen, krijgen ze vrijstellingen voor het eerste jaar. De juist erg praktische opleiding small business gaat veel mbo’ers goed af, vertelt opleidingsmanager Roland van der Poel. ‘Mbo’ers hebben het ondernemen, het doen, hoog zitten. Bij ons is het echt handen uit de mouwen en geld verdienen.’ Hij onderzoekt nu óf small business-mbo’ers het beter doen dan mbo’ers bij commerciële economie en zo ja, waarom.
dure samenwerking
‘Met die mbo’er’, vertelt Karel Ligtvoet, docent onderwijskunde van de pabo, ‘is niets aan de hand – als hij niet zou doorstuderen. Ik heb sommige mbo’ers op hun mbo-stage bezocht en ik donderde gewoon van mijn stoel van verbazing, zo goed waren ze. Maar als ze op het hbo komen, krijgen ze problemen. Abstraheren, conceptualiseren, studievaardigheden, plannen… En door de taal- en rekentoets raken we er ook een hoop kwijt. In het eerste jaar valt ruim dertig procent van onze studenten af.’ Omdat de pabo een beperkt aantal vooropleidingen heeft, was het voor Ligtvoet mogelijk om een schakelprogramma op te zetten waarbij mbo’ers al les krijgen op de hogeschool als ze nog in hun examenjaar van het mbo zitten. Zoiets zou met havisten nooit kunnen, gezien de grote diversiteit aan toeleveranciers. Een soortgelijke samenwerking heeft de Willem de Kooning tien jaar geleden met het Grafisch Lyceum opgezet. Daar is die samenwerking zo succesvol, vertelt Paul Pos, dat het zich tegen de WdKA keert: ‘Van de geslaagde schakelstudenten werd eerst iedereen toegelaten op onze school. Maar inmiddels weten die studenten ook de weg naar andere kunstacademies te vinden. Ze zijn goed genoeg om te kunnen kiezen en gaan dus in plaats van naar ons bijvoorbeeld naar de Rietveld Academie in Amsterdam.’ Dat lijkt een luxeprobleem, maar het is meer dan dat. Bijles geven aan studenten die op het mbo zitten, doet wel een extra beroep op de docenten en faciliteiten van de hogeschool. En dat terwijl de hogeschool er in principe geen cent voor terugkrijgt; de studenten hebben zich immers nog niet eens op de HR aangemeld. Karel Ligtvoet van de pabo begon zijn mbo-klas in het schooljaar 2008 voor het eerst met 22 Zadkine-studenten. Negen studenten haalden het programma en daarvan meldden vijf zich uiteindelijk aan op de HR. Een rendement van iets meer dan twintig procent. Het zou natuurlijk makkelijker zijn als de roc’s hun studenten zelf zó zouden opleiden dat studenten zonder extra inspanning naar het hbo kunnen. Maar het mbo is van nature nu eenmaal een ander soort opleiding dan het hbo; het mbo stoomt zijn studenten natuurlijk klaar voor de arbeidsmarkt, niet voor het hbo. Die kloof tussen het praktische mbo en het meer theoretische hbo zal toch wel blijven bestaan. Op dit punt zit overigens nog wel wat bewegingsruimte. Zo vertelt Karel Ligtvoet dat het Albeda College hem, om de mbo-hbo doorstroom te bevorderen, heeft gevraagd om mee te denken over de leerstof, de toetsen en de toetsvormen van Albeda.
Toeleveranciers
Er is dus een misschien wel natuurlijke kloof tussen mbo en hbo. Maar is er ook een kloof tussen de toeleverende mbo’s onderling? Met zo’n vijf- à zesduizend mbo-opleidingen is dat geen makkelijk te beantwoorden vraag. Maar om een beetje orde in de mbo-chaos te brengen, heeft de stichting Keuzegids, die normaal het niveau van het hoger onderwijs op een rij zet, dit jaar een Keuzegids MBO-Studies uitgebracht. Dus: wie doet het beter, Albeda of Zadkine? Helaas. Na veel zoeken blijkt dat ROC Zadkine niet heeft meegewerkt aan de enquêtes die de tevredenheid onder studenten moeten meten. Albeda deed wel mee en scoort meestal gemiddeld, soms goed, soms slecht. Zadkine meet zelf de tevredenheid onder studenten en komt daar ‘redelijk goed’ uit, aldus een adviseur van het bestuur, die ook vermeldt dat het Zadkine in de toekomst wel gaat meedoen aan Keuzegids. En dat lijkt niet meer dan logisch als je ziet dat de vragenlijsten die aan de basis van de Keuzegids liggen verrassend sterk samenvallen met de onderzoeksresultaten van bijvoorbeeld de Onderwijsinspectie. Bovendien heeft het roc een reden om zich te bewijzen: Zadkine staat in het rijtje met de hoogste uitval onder studenten. In het eerste jaar haakt 21 procent van de studenten af, na vier jaar is dat veertig procent. In rendement aan het eind van de studie wijkt Zadkine minder sterk af. In het afgelopen schooljaar heeft 58 procent van de studenten het Zadkine met een diploma verlaten, terwijl dit landelijk op 64 procent ligt.
Optimisme
Toch is er alles bij elkaar reden om optimistisch te zijn over de doorstroom mbo-hbo. Mbo’ers die hun diploma halen, doen dat over het algemeen namelijk sneller dan havisten, blijkt uit recente cijfers van het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek). Wat was hun conclusie? Méér mbo- dan havojongens halen binnen vijf jaar hun bachelordiploma (52 om 41 procent). En meisjes doen het over de hele linie beter: van de mbo- en havostudentes haalt respectievelijk 62 en 63 procent het diploma binnen vijf jaar. Deze studenten overtreffen zichzelf.
Olmo Linthorst






Laat een reactie achter
Spelregels
De redactie waardeert het als je onder je eigen naam reageert.
Lees hier alle details over onze spelregels.
Aanbevolen door de redactie
Langstudeerders finance & control helpen elkaar over de eindstreep: ‘Zonder deze twee had ik het niet gehaald’
Ingezonden: We moeten AI pauzeren en niet normaliseren op de Hogeschool Rotterdam
Ahmetcan laat studie niet door AI doen, maar studeert samen mét AI
Back to Top