Ga direct naar inhoud
Profielen | Profielen translated
19 mei 2024

Zwart logo Profielen

Onafhankelijk nieuws van de Hogeschool Rotterdam

Instellingsaccreditatie, goed idee of niet?

Gepubliceerd: 31 March 2022 • Leestijd: 7 minuten en 15 seconden • Nieuws Dit artikel is meer dan een jaar oud.

De overheid moet de kwaliteit van opleidingen blijven controleren, vindt de Onderwijsraad, terwijl de minister de controle juist aan hogescholen en universiteiten zelf over wil laten. We vroegen twee specialisten van de HR wat er voor en tegen de instellingsaccreditatie is.

Iemand kijkt door twee gaatjes in een krant

‘Georganiseerd wantrouwen’, zo omschrijft menig docent het huidige accreditatiestelsel. Iedere zes jaar krijg je – verplicht – een panel over de vloer om de kwaliteit van je opleiding te controleren. Ook regelmatig gehoord: de accreditatie is een werkdrukverhogende oefening op papier, die weinig te maken heeft met de échte kwaliteit van een opleiding. Maar ja, wat is het alternatief?

Nieuw plan: instellingen accrediteren zelf hun opleidingen

Wel, daar hebben hogescholen en universiteiten de afgelopen jaren hard aan gewerkt. En de vorige minister van Onderwijs omarmde hun plan voor meer verantwoordelijkheid voor onderwijsinstellingen zelf. Waar nu de Nederlands Vlaamse Accreditatie Organisatie (NVAO) of een opleiding aan alle eisen voldoet, zouden in de toekomst instellingen dat zelf moeten gaan doen (vandaar de naam ‘instellingsaccreditatie’).

Het plan is dat de NVAO alleen controleert of de instellingen als geheel hun kwaliteitszorg op orde hebben, waarna de instelling zelf haar opleidingen checkt. Net als nu betekent een voldoende op die keuring dan dat een opleiding zes jaar lang goedgekeurde diploma’s mag uitgeven en geld krijgt van de overheid om studenten op te leiden.

Wat betekent het voor de HR?

Als de instellingsaccreditatie er komt, zal dat grote gevolgen hebben voor de manier van werken binnen de hogeschool, schatten Aïda Tunovic en Donald de Groot in. Zij zijn als beleidsadviseurs van de Hogeschool Rotterdam betrokken bij allerlei kwesties rondom onderwijskwaliteit. Donald de Groot begeleidt bovendien al jaren accreditaties binnen de HR. Docenten, bestuur, stafdiensten, medezeggenschap, kwaliteitscontroleurs, allemaal moeten ze op een andere manier gaan werken. De Groot: ‘Zelfs de manier waarop we samenwerken met het werkveld zal door de instellingsaccreditatie veranderen. Werkgevers moeten met een opleiding gaan meedenken over de vraag wat de definitie van kwaliteit is.’

Ook ‘stukjes opleiding’ kunnen accreditatie krijgen

Een van de belangrijkste principes achter de instellingsaccreditatie is dat de kwaliteitscontrole beter op de opleiding aansluit. Zo kunnen ook kleinere onderdelen – denk aan een minor – straks geaccrediteerd worden. Minorstudenten kunnen makkelijker tussen instellingen switchen als de minor zelf geaccrediteerd en landelijk erkend is. Ook wordt het makkelijker om samen met een andere hogeschool modules op te zetten of op een andere manier met kleinere, soort-van-zelfstandige onderwijseenheden in te spelen op de onderwijsvraag.

Ingrid van Engelshoven, de vorige minister van Onderwijs, was een voorstander van het plan. Vorig jaar stuurde ze daarover een brief naar de Tweede Kamer. Sander van den Eijnden, de nieuwe baas van de NVAO, liet begin dit jaar weten dat hij geen principiële bezwaren ziet. In Vlaanderen werkt de NVAO al met een instellingsaccreditatie (de ‘instellingsreview’, heet het daar).

Onderwijsraad is niet blij met het plan

Maar het idee dat de overheid niet meer zelf naar de kwaliteit van opleidingen zou kijken valt in verkeerde aarde bij de Onderwijsraad. Vorige week leverde die haar advies in bij de nieuwe minister van Onderwijs, Robbert Dijkgraaf, met daarin een pleidooi om de NVAO ook in de toekomst de opleidingen te laten keuren.

De overheid heeft een grondwettelijke plicht om de kwaliteit van onderwijs te waarborgen, zo redeneert de Onderwijsraad. En omdat die kwaliteit niet is af te zien aan bestuurlijke processen op instellingsniveau, moet de overheid dus ook bij opleidingen zelf in de keuken blijven kijken. Officieel is ze niet tegen een instellingsaccreditatie, zei voorzitter Edith Hooge van de Onderwijsraad. Maar de goede verstaander begrijpt dat als de overheid stug doorgaat met het controleren van opleidingen, er van het plan voor een instellingsaccreditatie niet veel overblijft.

Zijn er na het advies van de Onderwijsraad nog voldoende argumenten over om ermee door te gaan?

Het plan kan al langer op kritiek rekenen, vertellen Tunovic en De Groot, die de ontwikkelingen rondom de instellingsaccreditatie de afgelopen jaren goed hebben gevolgd. Waar komt het plan voor een instellingsaccreditatie vandaan? En zijn er na het advies van de Onderwijsraad nog voldoende argumenten over om ermee door te gaan?

Werkdruk (die daalt niet)

Toen in 2002 het huidige accreditatiestelsel werd ingevoerd, duurde het niet lang voordat het klachten regende over het papierwerk dat docenten moesten produceren om de kwaliteitscontroleurs tevreden te stellen. Twintig jaar later is die administratieve druk nog steeds een issue. Ook in het kader van de instellingsaccreditatie wordt erover gesproken. Maar eigenlijk gelooft niemand dat met een nieuw stelsel de werkdruk zal dalen. Daarom gaat het in discussies vooral over het verlagen van de ‘ervaren’ werkdruk, waarschuwen Tunovic en De Groot. ‘Het werkdrukargument is een farce’, zegt De Groot. ‘De werkdruk die er nu is zal met de instellingsaccreditatie niet minder worden. Dat geeft de minister zelf ook toe.’

Tunovic: ‘Als je het hebt over “ervaren” werkdruk, heb je het over de houding van docenten ten opzichte van de accreditatie. Zie je als docent de accreditatie als een mooi moment om je eigen opleiding te verbeteren? Of zie je de komst van het panel als een inbreuk op je professionele ruimte? Een positieve of defensieve houding maakt veel uit voor hoe je die werkdruk ervaart.’

Uit een onderzoek (pdf) uit 2019 naar de ‘ervaren werkdruk’ rondom accreditaties, bleek dat docenten er veel tijd aan kwijt zeggen te zijn, maar ook dat ze het nut er niet altijd van inzien en accreditaties soms als een beperking zien van hun ‘professionele handelen’.

Een stelselwijziging zal, ironisch genoeg, de werkdruk waarschijnlijk juist nog jarenlang verhogen.

Uit het onderzoek bleek ook dat steeds veranderende regels ervoor zorgen dat opleidingen nooit ‘wennen’ aan accreditaties. Door om de paar jaar nieuwe regels in te voeren, terwijl de accreditatie slechts eens in de zes jaar plaatsvindt, blijft er altijd een mate van onvoorspelbaarheid in het systeem zitten. Opleidingen dichten die onvoorspelbaarheid voor de zekerheid af met nog meer papierwerk. Een stelselwijziging zal daarom, ironisch genoeg, de werkdruk waarschijnlijk juist nog jarenlang verhogen, totdat opleidingen het nieuwe stelsel leren kennen. Als althans de regels niet blijven veranderen.

In het plan voor de instellingsaccreditatie moeten opleidingen zichzelf nog steeds laten controleren door externe deskundigenpanels. Dat verandert niet. Alleen als docenten dat proces massaal gaan omarmen, zullen ze misschien minder werkdruk ervaren. Wat dat betreft kunnen we het werkdrukargument eigenlijk beter vergeten, zeggen Tunovic en De Groot. Zodat docenten hierover geen valse hoop koesteren.

Vertrouwen (voor wie precies?)

De instellingsaccreditatie draait ook om vertrouwen van de overheid in het hoger onderwijs. Aan dat vertrouwen hebben hogescholen en universiteiten de afgelopen jaren een beetje mogen snuffelen. Nu al doorlopen opleidingen namelijk een kortere accreditatie (een ‘beperkte opleidingsbeoordeling’) als instellingen hebben laten zien dat ze hun kwaliteitszorg op orde hebben.

Maar met de instellingsaccreditatie zou de minister nog veel meer verantwoordelijkheid bij instellingen neerleggen. Dan beslist het college van bestuur of opleidingen hun accreditatie mogen behouden. Dat vertrouwen verdienen instellingen, schreef de vorige minister, omdat ze hebben laten zien dat ze kwaliteit leveren. Tunovic: ‘Als je instellingen meer vertrouwen geeft, zo denkt men, dan leidt dat wellicht tot een minder krampachtige houding van opleidingen tijdens accreditaties.’

Eigenaarschap heeft potentie

De minister hint er ook op: kwaliteit moet onderdeel worden van de professionaliteit van docenten. De Groot: ‘Het idee is dat opleidingen eigenaar worden van het proces.’ Dan worden docenten ‘eigenaar’ van de hele kwaliteitscyclus, inclusief het accreditatieproces. De instellingsaccreditatie kan daarbij helpen, denkt De Groot, omdat opleidingen daarin een eigen definitie van kwaliteit kunnen geven, die afgestemd is op hun eigen omgeving, zoals de werkgevers voor wie ze opleiden.

Het is dit argument waarin De Groot de meeste potentie ziet. Hij hoop dat opleidingen veel meer hun eigen smoel kunnen aannemen en dat ze dat zelfs kunnen doorvertalen in de eisen waaraan ze bij een accreditatie moeten voldoen. ‘Als je als opleiding goed weet waar je voor staat, kun je hier de ruimte pakken.’

Twee verschillende dingen

Eigenaarschap en vertrouwen zijn overigens twee verschillende dingen. Drie wetenschappers van de Vrije Universiteit lijken ze door elkaar te halen. Ze schrijven in een ingezonden brief dat ‘een gevoel van eigenaarschap’ leidt tot een minder defensieve houding en een ‘sfeer van vertrouwen’ tijdens de opleidingscontroles. Maar een overheid die vertrouwen geeft aan instellingen betekent niet automatisch dat instellingen dat vertrouwen doorgeven aan opleidingen. Denk je eens in dat je bestuurder bent en de knoop moet doorhakken over het voortbestaan van je eigen opleiding. Voor zo’n monumentale beslissing wil je vermoedelijk een goeie onderbouwing hebben.

Als een instelling de accreditatie niet haalt, moeten alle individuele opleidingen alsnog stuk voor stuk geaccrediteerd worden door de NVAO.

Gek genoeg komt ook de NVAO in het plan voor nog grotere beslissingen te staan. Nu beslist het over de toekomst van een opleiding, straks over die van een volledige instelling met soms tientallen tot meer dan honderd opleidingen (zoals de HR). Als een instelling de accreditatie niet haalt, moeten alle individuele opleidingen alsnog stuk voor stuk geaccrediteerd worden door de NVAO. De mogelijke gevolgen van een onvoldoende instellingsaccreditatie zijn dus enorm, waardoor je kunt betwijfelen of een eenmaal verleende instellingsaccreditatie ooit ingetrokken zal worden.

Vergelijken en legitimeren (verdwijnt dat?)

Er staan nog wel meer vragen open waar voorstanders van de instellingsaccreditatie antwoord op moeten geven, zegt Tunovic. Ze verwijst naar een ingezonden brief van een hoogleraar onderwijswetenschappen over de risico’s van de instellingsaccreditatie. Tunovic: ‘Hij vraagt zich af hoe we straks de kwaliteit van opleidingen met elkaar kunnen vergelijken als ze allemaal een andere definitie van kwaliteit hebben. Dat vind ik een terechte vraag.’

Bovendien speelt er nog een principieel punt, waar de voorstanders van de instellingsaccreditatie volgens Tunovic te makkelijk aan voorbijgaan: een externe toezichthouder die namens de overheid controleert, legitimeert ook het (voort)bestaan van een opleiding. De overheid zet via de NVAO als het ware een stempel van goedkeuring op het voorhoofd van een opleiding. Wie legitimeert het hoger onderwijs in het nieuwe stelsel? Dat soort vragen zijn voor Tunovic nog niet afdoende beantwoord.

Hoe denkt de nieuwe minister erover?

Een heel andere vraag is hoe de nieuwe minister van Onderwijs in de race staat. De verwachting is dat hij inhoudelijk op het advies reageert, maar wanneer is niet duidelijk. In ieder geval is het nog geen gelopen race. In de Tweede Kamer stellen ook regeringspartijen zich kritisch op.

Het advies van de Onderwijsraad is natuurlijk slechts een onderdeel van de discussie hierover, zegt De Groot. ‘De Onderwijsraad is belangrijk, maar hiermee is de instellingsaccreditatie heus nog niet van tafel.’ Er komt natuurlijk weer een nieuw plan. De vraag is alleen of daarin nog iets van de oorspronkelijke voorstel overeind staat. En als dat niet zo is, concludeert Tunovic, dan kun je het misschien net zo goed bij het huidige stelsel laten. 

Tekst: Olmo Linthorst
Illustratie: Demian Janssen

 Profielen, het onafhankelijke nieuwsmedium van de Hogeschool Rotterdam, deelt wekelijks artikelen op Linkedin. Ben jij onze nieuwe connectie?

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief!

Recente artikelen

Recente reacties

Reacties

Laat een reactie achter

Comments are closed.

Spelregels

De redactie waardeert het als je onder je eigen naam reageert.

  1. Comments worden door de redactie gemodereerd. 's Avonds en in het weekend gebeurt dat niet standaard, en kan het dus langer duren voor je opmerking online komt.
  2. Houd het netjes, beschaafd, vriendelijk en respectvol. Niet vloeken of schelden.
  3. Dwaal niet af van het onderwerp (blijf ‘on topic’).
  4. Wees kort, duidelijk en maak een punt.
  5. Gebruik argumenten, geen uitroepen.
  6. Geen commerciële boodschappen.
  7. Niet op de persoon spelen.
  8. Niet discrimineren, aanzetten tot haat of oproepen tot geweld (ook niet voor de grap).
  9. Van bezoekers die een reactie achterlaten op de site wordt automatisch het IP-adres opgeslagen.
  10. De redactie geeft reacties die dreigende taal bevatten door aan de veiligheidscoördinator van de Hogeschool Rotterdam.

Lees hier alle details over onze spelregels.

Aanbevolen door de redactie

Back to Top