Ga direct naar inhoud
Profielen | Profielen translated
22 mei 2024

Zwart logo Profielen

Onafhankelijk nieuws van de Hogeschool Rotterdam

Het bsa: Waar zijn we nou helemaal mee bezig?

Gepubliceerd: 7 November 2018 • Leestijd: 4 minuten en 12 seconden • Nieuws Dit artikel is meer dan een jaar oud.

In 2017 kregen 2.329 HR-studenten een negatief bindend studieadvies. Zij moesten hun opleiding verlaten. Wat er met studenten gebeurt ná het bsa is onontgonnen terrein, terwijl ons dat juist iets kan leren over de effectiviteit van het bsa, stellen onderzoekers van de VU.

 

Het bindend studieadvies is een enorm ding. Niet alleen voor studenten, maar ook voor docenten, het ondersteunend personeel en voor de instelling als geheel. In de Keuzegids bijvoorbeeld bepalen rendementscijfers van het eerste studiejaar voor een deel hoe een universiteit of hogeschool het doet in de ranglijst.

Het bindend studieadvies werd in 1998 opgenomen in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. De bedoeling ervan was een eventuele ongeschiktheid voor de opleiding vroeg vast te stellen, zodat de student snel de switch kan maken naar een opleiding die wel bij hem en zijn capaciteiten past.

‘Een effectieve herverdeling van studenten over opleidingen’ noemt onderzoeker Chris van Klaveren dat. Samen met Ilja Cornelisz, Rolf van der Velden en Inge de Wolf publiceerde hij dit najaar een onderzoek naar de effectiviteit van het bsa.

Geschikt/niet geschikt

Van Klaveren: ‘Er worden door onderwijsinstellingen verschillende doelstellingen van het bsa geformuleerd. Zo wordt het bijvoorbeeld ook wel als een motivatie-instrument gezien. Wij hebben in ons onderzoek puur gekeken naar de omschrijving zoals die in de wet is opgenomen: een instrument om studenten zo snel mogelijk naar de passende opleiding te loodsen.’
Volgens die definitie is het bsa een instrument dat zowel de opleiding dient – er blijven studenten over die geschikt zijn – als de student. Die wordt zo gestuurd dat hij zijn studie voortzet aan een opleiding waar hij meer kans van slagen heeft.

Het viel Van Klaveren en zijn collega’s op dat er in het bestaande onderzoek naar het bsa niet gekeken wordt naar de groep die de opleiding heeft moeten verlaten. ‘Maar bij hen lag juist onze interesse. Niet alleen waren we geïnteresseerd in hun verdere studieloopbaan. Ook wilden we deze groep vergelijken met de studenten die een positief bsa hadden gekregen en door mochten naar het tweede jaar.’

1.700 studenten gevolgd

De onderzoekers gebruikten gegevens van de Universiteit van Amsterdam en meer specifiek de populatie studenten economie en bedrijfskunde die in 2009/2010 of 2010/2011 aan hun studie begonnen. Van deze 1.707 studenten hebben de onderzoekers de studieduur en diplomering gemeten tot augustus 2017.

Van Klaveren: ‘We konden bij beide groepen, de n-bsa-studenten en de groep die de grens had behaald, heel precies zien hoeveel studiepunten ze hadden behaald. Maar we hadden ook data als het gemiddelde examencijfer van de middelbare school en andere achtergrondkenmerken.’

Geen verschil rond de bsa-grens

De studenten die hun opleiding met een negatief bsa moesten verlaten – dat waren er 811 – zijn gemeten naar het doel van het bsa-instrument niet geschikt om te slagen in die opleiding. Maar uit het onderzoek bleek dat er nauwelijks verschillen waren tussen studenten die net onder of boven de bsa-grens scoorden. Van Klaveren: ‘Studenten die een negatief bsa kregen, gingen dezelfde opleiding elders volgen en haalden ook hun diploma.’

Dat is opmerkelijk, vindt Van Klaveren. ‘Want als je kennelijk niet geschikt bent voor de ene opleiding, hoe kun je dezelfde studie aan een andere instelling dan ineens wel aan?’

Niet alleen gingen de studenten die net te weinig studiepunten hadden behaald op een andere plek dezelfde of een verwante studie volgen, ze deden er ook ongeveer even lang over als de studenten die de bsa-grens net wel haalden.

Maar 7,5 procent koos een ander studiegebied

Verder inzoomend laat het onderzoek zien dat 43 procent van de studenten met een negatief bsa precies dezelfde studie elders ging doen, terwijl 41,9 procent switchte naar een verwante studie. Maar 7,5 procent stapte over naar een heel ander terrein.

Gemiddeld deden de n-bsa-studenten wel ruim 13 maanden langer over hun studie dan studenten met een positief bsa. Maar dit verschil was niet zichtbaar als studenten die net te weinig punten hadden behaald, vergeleken werden met de groep die de bsa-grens nét wel had behaald. Rondom die bsa-grens deden studenten dus ongeveer even lang over hun studie.

Dat maakt de bsa-grens, die bij de meeste opleidingen rond twee derde van het aantal te behalen studiepunten ligt, volgens Van Klaveren ‘arbitrair’.

De 85 procent die dezelfde of een verwante studie ging doen, was evident niet ‘ongeschikt’ voor zijn studie, want deze studenten slaagden erin te diplomeren. Wel was er een groep (19 procent) die het universitair onderwijs na zijn negatieve bsa verliet.

En nu? Bsa afschaffen?

Wat zijn nu de implicaties van dit onderzoek? Wat kunnen we met deze uitkomsten? Dat is ook voor Van Klaveren een lastige vraag.

‘Ons onderzoek laat zien dat je vraagtekens kunt zetten bij de werking van het bindend studieadvies. Het huidige negatieve bsa stelt niet vast of een student ongeschikt is voor een studie. Toch zeggen wij ook niet: schaf het dus maar af. Dat zou weer een systeemverandering betekenen en ik denk dat je daar niet toe moet overgaan als niet helder is wat je wilt bereiken met zo’n bsa en welk probleem het moet oplossen.’

Van Klaveren: ‘Als het bsa is bedoeld om van minder presterende studenten af te komen dan is de vraag: Is dit wel de juiste manier? Studenten worden met het juiste diploma en profiel toegelaten tot een studie. Het is apart dat we ze vervolgens op basis van een arbitraire bsa-grens wegsturen.’

De onderzoekers zagen pas bij 24 studiepunten een duidelijke kink. Studenten die 24 of minder punten hebben behaald, scoren inderdaad minder goed dan de andere groepen. Maar wat hiervan de reden is en of deze bevinding een relatie heeft met het bsa, is ook voor de onderzoekers niet duidelijk.

Mogelijke rechtsongelijkheid

Voorlopig pleiten Van Klaveren en zijn collega-onderzoekers ervoor om verder onderzoek te doen. Er lopen gesprekken met de VU en de Universiteit Maastricht over het gebruik van data. Van Klaveren: ‘Het wordt pas echt interessant als de bevindingen van het eerste onderzoek worden bevestigd. Maar verder onderzoek is ook relevant in verband met rechtsgelijkheid. Studenten in Amsterdam hebben genoeg alternatieven in de omgeving. Voor een nieuwe studie hoeven zij geen extra kosten te maken voor een verhuizing of openbaar vervoer. Mogelijk is dit voor studenten uit kleinere regio’s niet het geval en dan zou je dus te maken hebben met rechtsongelijkheid door een niet-effectief beleidsinstrument.’

Tekst: Esmé van der Molen
Illustratie: Demian Janssen

Bron: The consequences of academic dismissal for academic success. I. Cornelisz, R. van der Velden, I. de Wolf & C. van Klaveren (2018) – ACLA Working paper series.
Dit artikel wordt je aangeboden door Profielen, het nieuwsmedium van de Hogeschool Rotterdam. Like what you see? Like ons dan op Facebook en blijf via je eigen tijdlijn op de hoogte van het laatste nieuws. Liever een nieuwsbrief? Meld je hier aan voor een wekelijkse update.

Recente artikelen

Recente reacties

Reacties

Laat een reactie achter

6 Responses to Het bsa: Waar zijn we nou helemaal mee bezig?

  1. Ik werk af en toe voor een andere Hogeschool bij dezelfde opleiding als bij de HR. Vorig jaar kwam ik op BUAS een student tegen die bij ons was weggestuurd met een BSA, het ging nu prima met hem en met zijn studie. Hij had op HR wat tegenslag gehad, persoonlijk wegens overlijden van bekende en later met zijn projectgroep en had daarom te weinig punten. Maar zeker niet ongeschikt voor studie en beroep bleek.

    Zoals bij MC toetsen het één vraag goed of fout het verschil maakt is dat hier één studiepunt, maar is daarmee voldoende onderbouwing voor een uitspraak over geschiktheid? Ik heb grote twijfels. We zouden ook moeten kijken naar andere aspecten zoals les-participatie, bijdragen in projecten enz voor een wat beter onderbouwd “advies”.

    Nader onderzoek “na de BSA” lijkt me ook nuttig voor de HR om voorlichting en begeleiding te verbeteren als dat mogelijk is.

  2. Kun je met dit onderzoek ook meten hoeveel moeite de student het eerste jaar in de opleiding heeft gestoken, en hoeveel de student vervolgens na een negatief BSA in zijn/haar tweede opleiding heeft gestoken? Bovendien is het niet vreemd dat het de tweede keer beter gaat, het is dezelfde opleiding. Veel van de stof zal dus herhaling zijn.

  3. De bevindingen van Arthur zie ik ook terug in mijn opleiding. In sommige gevallen heb ik zelfs gezien dat studenten een of twee jaar later opnieuw beginnen aan precies dezelfde opleiding. Het instrument was in eerste instantie bedoeld om studenten beter te laten aansluiten op hun beste studiekeuze maar deze maatregel werd vrijwel vanaf het begin gebruikt om de wat moeilijkere of slechter presterende leerlingen van school te sturen. In veel gevallen worden er ook geen gesprekken gevoerd met zulke studenten, een punt wat mijn voorgaande argument enigszins bewijst.

  4. Heel goed om studenten na een negatief BSA eens verder te volgen, maar ik vroeg me af waar de onderzoekers nu zo verbaasd over waren:
    “Maar uit het onderzoek bleek dat er nauwelijks verschillen waren tussen studenten die net onder of boven de bsa-grens scoorden.”
    En even verder:
    “Maar dit verschil was niet zichtbaar als studenten die net te weinig punten hadden behaald, vergeleken werden met de groep die de bsa-grens nét wel had behaald. Rondom die BSA-grens deden studenten dus ongeveer even lang over hun studie.”

    Dat lijkt mij eigenlijk heel erg logisch. Net zoals er ook weinig verschil zal zijn tussen iemand die zijn propedeuse in één jaar haalt en iemand die dat nét niet haalt.

  5. @ES: Dat zijn relevante vragen en opmerkingen in algemene zin maar niet zozeer voor wat het BSA pretendeerd te zijn: een maatstaf voor het uitfilteren van ongeschikte studenten. Zonder deze maatstaf is het niet te verantwoorden dat studenten worden weggestuurd, wanneer deze verder aan dezelfde rechtsverplichtigen voldoen als iedere andere student.

    Wanneer een student met enige herhaling wel de studie succesvol voort kan zetten, is dit dus geen geschiktheidsprobleem anders had een dergelijke student het nooit begrepen, de student had alleen wat meer tijd en mogelijk uitleg nodig. Het BSA treed dan op als een functionele methode om studenten deze tijd/uitleg te ontkennen, wat een andere verantwoording vereist: de discussie of langer dan nominaal studeren een zodanig probleem is voor de student dat hierom moet worden ingegrepen.

    Wanneer er echter voor deze functionaliteit alleen naar het eerste jaar gekeken wordt hebben we een duidelijk geval van ongelijke behandeling, want wat is de verantwoording dat de eerstejaarsstudent die vertraagd een objectief ander probleem is dan een student van het tweede jaar of hoger die vertraagd?

    Zoals dhr. Bijl aangeeft zijn de conclusies van dit onderzoek goed te voorspellen, maar meten is nog steeds weten en zonder een dergelijk onderzoek blijven we in deze discussie op intuities en voorspellingen afgaan (in beide betekenissen van dat woord). We stellen echter wel een harde grens tussen de personen die er onder en personen die er boven eindigen, een grens die consequenties heeft voor de levensloop van de student(en) in kwestie, in tegenstelling tot de onderzoeksuitkomsten is de consequentie niet gradueel.

    De eerste stap naar een oplossing lijkt mij ook te liggen in de focus van het BSA terug te bregen naar waar deze hoort: de student, en niet de rendementsfactoren van de instituten. Een heroverweging of dit “advies” bindend moet zijn of echt een advies lijkt me tevens op zijn plaats. Een grens bepalen voor het identificeren van studenten die moeite lijken te hebben is nog steeds nuttig maar neem andere actie dan ze weg te sturen: verplicht bijvoorbeeld zomerstudie of een herhaling van het eerste jaar voordat ze verder mogen en probeer de problemen te ondervangen en op te lossen. Leg (een deel van) de kosten hiervoor bij de studenten in kwestie als een stok achter de deur benodigd is.

    Toevallig stond er ook een blogberichtje op Profielen over het nut en impact van het SLC vak, twee vliegen in een klap?

  6. Ik denk dat (Sebastiaan?) Heikamp zinvolle punten naar voren brengt. Ik denk op alle plaatsen in het onderwijs waar we harde normen gebruiken (Bekwaam/Niet bekwaam) voldoende/onvoldoende, 5.4/5.5) je de vraag moet stellen wat dat werkelijk zegt over de prestatie (kennis en vaardigheid,houding) van de student in de latere beroepspraktijk. Natuurlijk moet je zo snel mogelijk met een student bij SLC maar ook in vakonderwijs in gesprek wat hem belemmert in voortgang in de studie.

    Persoonlijk drama, te veel werken naast studie, mentale dip, geen goede fit met medestudenten, zieke of niet bekwame docenten of docenten die geen aandacht hebben…Mooie praktijkonderzoek vraag?

    Ik denk dat een goede (lees beter dan CumLaude) leeromgeving ook kan helpen door het persoonlijke onderwijs in klas, groep en 1:1 te verrijken. Veel HBO en WO instanties zijn daar mee bezig en binnen de HR zijn er aantal pilots.

    Daarnaast is er een tendens naar meer flexibiliteit voor studenten, zie o.a.

    https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/hoger-onderwijs/experimenten-om-deeltijdonderwijs-flexibeler-te-maken/pilots-flexibilisering

    en

    https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2018/10/12/experiment-flexstuderen-uitgebreid

    Kortom laat de normatieve grens voor wat het is en beschouw de student in context. Overigens moeten studenten niet denken dat met puur meeliften en niets-doen het diploma er vanzelf wel komt….. Dat zou ik geen goede ontwikkelen vinden.

Spelregels

De redactie waardeert het als je onder je eigen naam reageert.

  1. Comments worden door de redactie gemodereerd. 's Avonds en in het weekend gebeurt dat niet standaard, en kan het dus langer duren voor je opmerking online komt.
  2. Houd het netjes, beschaafd, vriendelijk en respectvol. Niet vloeken of schelden.
  3. Dwaal niet af van het onderwerp (blijf ‘on topic’).
  4. Wees kort, duidelijk en maak een punt.
  5. Gebruik argumenten, geen uitroepen.
  6. Geen commerciële boodschappen.
  7. Niet op de persoon spelen.
  8. Niet discrimineren, aanzetten tot haat of oproepen tot geweld (ook niet voor de grap).
  9. Van bezoekers die een reactie achterlaten op de site wordt automatisch het IP-adres opgeslagen.
  10. De redactie geeft reacties die dreigende taal bevatten door aan de veiligheidscoördinator van de Hogeschool Rotterdam.

Lees hier alle details over onze spelregels.

Aanbevolen door de redactie

Back to Top