Ga direct naar inhoud
Profielen | Profielen translated
29 september 2021

Zwart logo Profielen

Onafhankelijk nieuws van de Hogeschool Rotterdam

Kenniscentra en het onderwijs: ‘Onderzoek doen is geen gunst’

Gepubliceerd: 2 July 2018 • Leestijd: 8 minuten en 46 seconden • Longread

Gemiddeld 3 procent van alle docenten-uren gaat naar onderzoek, in plaats van 10 procent, zoals in 2016 werd bepaald. Kunnen de kenniscentra daarmee het hoofd boven water houden? ‘Die 1 procent waar we nu op zitten, is wel erg magertjes.’

In 2016 is er nogal wat veranderd in de organisatie van de kenniscentra. Tot dat jaar kregen kenniscentra geld van de hogeschool om docenten van in te huren. Deze docenten werden dan docent-onderzoekers en het onderwijs kon met het geld dat ze voor hen van de kenniscentra kregen andere docenten inhuren om hen te vervangen. Vanaf 2016 is er nieuw beleid en krijgen de kenniscentra van de hogeschool alleen nog geld om de salarissen van lectoren, directeuren en secretariaatsmedewerkers van te betalen, maar geen geld meer voor docent-onderzoekers, zoals voorheen. Dat geld gaat nu naar de opleidingen die per instituut 10 procent van alle docenten-uren zouden moeten inzetten voor onderzoek. Doel van deze operatie was om onderwijs en onderzoek sterker aan elkaar te verbinden.

Maar: die 10 procent werd in 2016 en 2017 bij geen enkel kenniscentrum gehaald. Bij kenniscentrum duurzame havenstad is het amper 1 procent, bij talentontwikkeling is het 3 en bij zorginnovatie 5 procent.

Onderzoek afhankelijk van onderwijs

En toch zijn de drie kenniscentrumdirecteuren die Profielen sprak niet per se negatief over de tienprocentmaatregel. Ja, onderzoek moet de hand ophouden bij het onderwijs, maar het is te kort door de bocht om dat alleen als een probleem te zien, vinden zij. ‘10 procent is een middel, een aanmoediging’, zegt Marleen Goumans, lector samenhang in de ouderenzorg en directeur van kenniscentrum zorginnovatie.

En het klopt dat die 10 procent geen geoormerkt geld is, dus voor het onderwijs zijn er geen consequenties aan verbonden als zij de 10 procent anders inzetten.

Goumans: ‘Er is zeker afhankelijkheid gecreëerd, maar ik zie dat als wederzijdse afhankelijkheid. Het gaat erom of je door middel van onderzoek een bijdrage kunt leveren aan de kwaliteit van de opleidingen, maar ook andersom: of de opleiding bijdraagt aan de kwaliteit van de praktijk en de deskundigheidsbevordering van de docent. Dat is een win-win-winsituatie, het is geen gunst. Sterker nog: het is een efficiënte investering in kennis en middelen.’

‘Dat praktijkgericht onderzoek een primaire taak is van een hogeschool, is niet bij iedereen bekend’, vult Liek Voorbij, directeur kenniscentrum duurzame havenstad, aan. ‘Door de tienprocentregeling is er meer bewustzijn gekomen dat onderzoek belangrijk is en dat onderwijsteams hierover moeten nadenken. In die zin ondersteun ik dit beleid, maar die 1 procent waar we bij duurzame havenstad nu op zitten, is natuurlijk wel erg magertjes. Ik hoop van harte dat dat percentage nog groeit.’

Binnen het techniekonderwijs varieert de belangstelling voor onderzoek nogal, vertelt ze. ‘We bedienen 21 opleidingen, van EAS (technische opleidingen), IGO (gebouwde omgeving), RMI (haven) en een beetje CMI (multimedia en informatietechnologie). Er zijn opleidingen met weinig ambitie voor het doen van onderzoek, maar ook opleidingen waar docenten vrij intensief met universiteiten samenwerken. ‘Daar vindt zeker onderzoek plaats, maar niet via het kenniscentrum en dat is natuurlijk ook prima.’

Sommige technische opleidingen kampen met een docententekort en dan lukt het niet om ook nog eens 10 procent van de formatie ter beschikking te stellen aan onderzoek. ‘Dan heb ik zelf ook liever niet dat docenten participeren in onderzoek, want continuïteit en betrouwbaarheid zijn in onderzoek en onderwijs belangrijk. Als we dat niet kunnen realiseren, kunnen we het beter niet doen.’

Blik naar binnen

‘Wij komen gemiddeld niet verder dan 3 procent’, zegt Frans Spierings, lector opgroeien in de stad en directeur van kenniscentrum talentontwikkeling, dat vooral met ISO (sociale opleidingen) en IvL (lerarenopleidingen) samenwerkt. ‘Bij ISO is het belang dat aan onderzoek wordt gehecht groter dan bij IvL. Leraren worden geen onderzoekers, is de breedgedragen opvatting. En het curriculum zit al behoorlijk vol. Een beetje gechargeerd is orde handhaven in de klas en goed lesgeven in Frans, biologie of geschiedenis belangrijker. En het klopt dat de mensen die hier weggaan geen onderzoekers worden, maar dat neemt niet weg dat zij wel onderzoeksmatig moeten kunnen denken en werken, literatuur moeten kunnen lezen, stukken schrijven en opiniëren.’

Spierings vindt het beleid van de hogeschool om te focussen op de kwaliteit van de bachelor dan ook ‘perfect’. En onderzoek is het middel bij uitstek om die kwaliteit te verbeteren, stelt hij. De lectoren en (hoofd)docenten van het kenniscentrum onderzoeken daarom ook de onderwijsinhoud van de eigen opleidingen: de kwaliteit van afstudeerscripties, de afstudeerhandleiding, de minoren en de kwaliteit van praktijkopdrachten.

Spierings begeleidt voor het vierde jaar op rij zo’n twintig studenten, ook langstudeerders, en dat doen de andere lectoren ook. ‘We zien echt veel studenten. We brengen in kaart hoe hun begeleiding op de onderzoeksvaardigheden tot dat moment is geweest en koppelen dat terug naar het onderwijs. En zo draagt het kenniscentrum niet alleen bij aan verbetering van de praktijk, maar ook aan de ontwikkeling van de onderzoekende houding van studenten en docenten én aan de verbetering van de begeleiding en beoordeling hiervan door de docenten.’

En daar blijft het niet bij. Lectoren nemen deel aan curriculumcommissies en hebben inbreng in directie- en managementoverleggen. Het kenniscentrum werkt in het hart van het onderwijs aan actualisering van het curriculum.

Daarnaast doet talentontwikkeling onderzoek naar twee thema’s: inclusie en optimalisering van leerprocessen. ‘Denk bijvoorbeeld aan het bevorderen van participatie van jongeren met psychische problemen in het onderwijs of aan onderzoek naar studerend lezen.’ Ook die onderzoeken gaan over het eigen onderwijs van de lerarenopleiding of social work.

‘Wij zijn dus vooral binnen bezig. Ik denk dat dat nodig was en nog steeds is, maar we moeten niet binnen blijven hangen. Ik wil niet alleen het onderwijs van de Hogeschool Rotterdam onderzoeken, maar ook dat van het primair, voortgezet onderwijs, het mbo en de praktijk van de sociale sector. Het liefst kijk ik van buiten naar binnen. Wat gebeurt er in de samenleving en hoe vertalen wij dat naar actueel onderwijs en goed onderzoek op de hogeschool? Door die sterke focus op binnen moeten we oppassen dat we geen oogkleppen op krijgen.’

Binnen en buiten

Wat dat betreft heeft Marleen Goumans, directeur van kenniscentrum zorginnovatie, het een stuk makkelijker. In de zorg is het belang van onderzoek – diagnostiek, behandeling en evaluatie – ingebakken. IvG, het instituut voor de gezondheidszorgopleidingen, heeft dan ook een goede traditie van onderzoek doen en daarom scoort dit kenniscentrum met 5 procent redelijk hoog.

Goumans: ‘Wij onderzoeken innovaties in en met de praktijk en doen dat in nauwe samenwerking met de opleidingen. Daardoor dragen we bij aan de ontwikkeling van kennis, het onderwijs én de praktijk. In de driehoek kennis-praktijk-onderwijs zijn alle drie de hoeken even belangrijk. We doen bijvoorbeeld onderzoek naar eenzaamheid en de interventies die professionals kunnen inzetten om eenzaamheid te verminderen, hoe iemand met dementie langer thuis kan blijven of hoe de communicatie bij afasie verbeterd kan worden. Dat gebeurt in projectgroepen waarin praktijk, onderwijs en lectoren samenwerken. IvG is onze natuurlijke partner, maar inmiddels maken we ook uitstapjes naar andere opleidingen. Logistics management (voorheen logistiek en economie) doet samen met het kenniscentrum onderzoek naar zorglogistiek, studenten van de masteropleiding van RBS (businessschool) doen dat naar businesscases en marketing in de zorg, en samen met gezondheidszorgtechnologie doen we onderzoek naar zorgtechnologie.’

Ook bij zorginnovatie is er, net als bij talentontwikkeling nog steeds het geval is, een fase geweest dat ‘we alle ballen op de bachelor hadden’. ‘Gelukkig kunnen we nu ook weer naar buiten kijken’, zegt Goumans, ‘anders zouden we niet alleen de waarde voor de praktijk gaan verliezen, maar ook voor het onderwijs. Natuurlijk is ons streven om van waarde te zijn voor onderwijs, maar soms beginnen we aan een onderzoek omdat het belangrijk is voor de samenleving, voor de praktijk, zonder van tevoren precies te weten hoe dat het onderwijs ten goede komt. Dat kan nu weer.’

Ideaalplaatje: gedeelde verantwoordelijkheid onderwijs en onderzoek

Zijn de lectoren van zorginnovatie en duurzame havenstad ook verantwoordelijk voor onderwijsvernieuwing, zoals dat bij talentontwikkeling nu het geval is? ‘Nee’, legt Goumans uit. ‘Maar lectoren zijn wel aan het onderwijs verbonden. Ze zitten in curriculumcommissies, enkele werkveldcommissies en bijna elke lector heeft scriptiestudenten. Lectoren zijn, meestal de tweede, begeleider bij het afstuderen en betrokken bij minoren, maar er niet eindverantwoordelijk voor. Wij moeten het hebben van wat een “gezagsvolle wederzijdse adviesrelatie” heet. Als het goed gaat, worden de adviezen van lectoren ter harte genomen, maar dat hoeft niet per se. Overigens zijn er wel voorbeelden van minoren waarin lectoren en onderwijs echt verknoopt zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval bij zorgtechnologie, arbeid en gezondheid of disability studies.’

‘Bij duurzame havenstad is de afgelopen jaren enorm geïnvesteerd in de verbinding met onderwijs’, zegt Voorbij. ‘Lectoren kregen de eerste anderhalf jaar na de omschakeling naar het nieuwe beleid de opdracht om uit te zoeken welke onderwerpen aansloten bij de wensen van de opleidingen. In die periode deden ze geen onderzoek. We krijgen regelmatig onderzoeksvragen uit de praktijk die weliswaar relevant zijn voor de opleidingen van de HR, maar waar die opleidingen niet altijd interesse in hebben. Het komt voor dat we met zo’n vraag niets doen omdat er geen animo voor is in het onderwijs en zonder inzet van docenten is zo’n onderzoek niet haalbaar. Het onderwijs heeft dus wel de beslissende stem.’

Ook bij het aannemen van lectoren heeft het onderwijs een stem. De keuze voor een lector wordt door kenniscentrum en onderwijs gezamenlijk gemaakt. Voorbij: ‘Maar dat is nog wat anders dan dat we met curriculumvernieuwing bezig zijn. Het komt weleens voor dat een lector als adviseur bij een curriculumcommissie wordt gevraagd, maar dat is zeker niet standaard het geval. Ik ben daar overigens wel een voorstander van, om bij curriculumcommissies een adviesrol te hebben. Dat is een mooie plek om ons licht te laten schijnen op nieuwe thema’s of verbindingen met de praktijk.’

Kenniscentrum duurzame havenstad was tot voor kort niet zo bezig met het werven van externe subsidies, vertelt Voorbij, omdat het moeilijk was om voldoende docent-onderzoekers te vinden om dat onderzoek mee uit te voeren. ‘Voor mij is het belangrijk dat de projecten waar we subsidie voor gaan werven echt een gedeelde verantwoordelijkheid zijn van onderwijs en kenniscentrum. Onderzoeksvoorstellen moeten daarom worden geschreven door lectoren en docenten samen, met betrokkenheid van de onderwijsmanager. We zijn nu wel met een grote aanvraag bezig voor het project Merwe-Vierhavens. We willen onderzoeken of het mogelijk is een milieuzone te realiseren in deze stadshaven waardoor bedrijvigheid en wonen in dat gebied gecombineerd kunnen worden.’

Lector in de rol van hoogleraar?

Als de verbinding tussen onderwijs en onderzoek het doel is van het beleid van de HR, zou het dan niet logisch zijn om lectoren medeverantwoordelijk te maken voor het onderwijs, zoals op de universiteiten het geval is waar hoogleraren verantwoordelijk zijn voor onderzoek én onderwijs?

‘Daar zie ik wel wat in’, reageert Spierings, ‘mits we dit samen met docenten doen, maar qua omvang is dat nu onmogelijk. Het zou kunnen als we veel groter zouden worden als onderzoeksinstituten. Nu hebben we een paar lectoren en enkele hoofddocenten. Die hebben met elkaar niet de expertise om het hele curriculum af te dekken. Het zijn specialisten. Maar als ik er nog vijftig specialisten bij krijg: geef me die taak dan maar, graag zelfs. Nu gaat dat niet. Ik kan me wel voorstellen dat je teams van docenten gaat vormen onder leiding van een lector, maar ook zo ver zijn we nog niet.’

Ook Goumans zou dit idee ‘heel graag serieus verkennen, al was het alleen al voor de masteropleidingen’, maar is het met Spierings eens: ‘We zijn nu te klein.’

Jonge kenniscentra

Drie kenniscentra, drie manieren om met praktijkgericht onderzoek om te gaan. Daar waar talentontwikkeling de blik vooral naar binnen, op de opleidingen, heeft, zou havenstad willen dat het onderwijs serieuzer aan onderzoek gaat deelnemen en beweegt zorginnovatie zich juist in het midden van onderwijs, praktijk en wetenschap, de plek waar ze alle drie het liefste willen zijn.

‘Vergeet niet dat we als hogescholen pas vijftien jaar met praktijkgericht onderzoek bezig zijn’, relativeert Spierings. ‘We hebben universiteiten die ouder zijn dan 400 jaar. In het hbo zijn we allemaal nog zoekend. Het pad is nog niet gebaand.’

Tekst: Dorine van Namen
Illustratie: Demian Janssen

Voor meer informatie: https://www.hogeschoolrotterdam.nl/onderzoek/kenniscentra/

Bestuurlijke reactie tienprocentsnorm

Volgens collegelid Angelien Sanderman is de tienprocentsnorm inmiddels losgelaten. Sanderman is verantwoordelijk voor de portefeuille onderzoek. ‘Die 10 procent bleek niet haalbaar en hanteerbaar te zijn’, licht ze desgevraagd toe. ‘Zeker omdat de instituten en kenniscentra in verschillende fases zitten. We zien de 10 procent nu als richtlijn. Jaarlijks spreken we in jaarplannen af hoeveel en welke mensen we inzetten op onderzoeksprojecten. De keuzes die worden gemaakt, zijn inhoudelijk, niet getalsmatig. Of het 3 procent is of 6 of 12, als daar een goed verhaal achter zit, is dat waar het om gaat. Het moet niet 0 zijn, want dan klopt er iets niet. Maar stel dat je op 2 zit en je hebt een beeld van hoe je gaat groeien, dan is dat belangrijker dan dat je de 10 procent haalt.’

Kenniscentra in cijfers:

Bronnen:
– Ondersteuning Kenniscentra en Expertisecentrum Maatschappelijke Innovatie (OKC)
– Jaarverslag Hogeschool Rotterdam 2017
– De Staat van Hogeschool Rotterdam, vanaf 2010. Samenstellers: Alexander van den Assum, Herman Veenema, 2016

Reacties

Laat een reactie achter

Comments are closed.

Spelregels

De redactie waardeert het als je onder je eigen naam reageert.

  1. Houd het netjes, beschaafd, vriendelijk en respectvol. Niet vloeken of schelden.
  2. Dwaal niet af van het onderwerp (blijf ‘on topic’).
  3. Wees kort, duidelijk en maak een punt.
  4. Gebruik argumenten, geen uitroepen.
  5. Geen commerciële boodschappen.
  6. Niet op de man/vrouw spelen.
  7. Niet discrimineren, aanzetten tot haat of oproepen tot geweld (ook niet voor de grap).
  8. Van bezoekers die een reactie achterlaten op de site wordt automatisch het IP-adres opgeslagen.
  9. De redactie geeft reacties die dreigende taal bevatten door aan de veiligheidscoördinator van de Hogeschool Rotterdam.

Lees hier alle details over onze spelregels.

Recente artikelen

Back to Top